Studenten blijven langer thuis wonen door leenstelsel en woningmarkt
12 februari 2026
Toename thuiswonende studenten zet woningmarkt onder druk
Steeds meer studenten blijven tijdens hun opleiding bij hun ouders wonen. Uit cijfers van het CBS en het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut blijkt dat 43% van de studenten die in 2023 afstudeerden nog thuis woonde. In 2016 was dat aandeel aanzienlijk lager, namelijk 31%.
Deze verschuiving is niet alleen een maatschappelijk fenomeen, maar heeft ook directe gevolgen voor de woningmarkt. Minder uitstroming naar studentenhuisvesting betekent een andere dynamiek in vraag en aanbod, met gevolgen voor beleggers, ontwikkelaars en gemeenten die hun woningbouwprogramma’s hierop hebben afgestemd.
Leenstelsel als kantelpunt voor uit huis gaan
Een belangrijke oorzaak van het langer thuis wonen ligt bij de invoering van het sociaal leenstelsel in 2015. Met het verdwijnen van de basisbeurs, die kon oplopen tot €279 per maand, werden studenten aangewezen op leningen. Studenten die in 2015 startten met hun studie, bleven aantoonbaar vaker thuis wonen dan de lichting daarvoor.
De financiële drempel om op kamers te gaan is daarmee hoger geworden. De optelsom van huur, energiekosten en levensonderhoud weegt zwaarder wanneer daar direct een studieschuld tegenover staat. Het gevolg is dat uit huis gaan vaker wordt uitgesteld tot later in de studie, of zelfs pas na afstuderen.
Woningtekort en betaalbaarheid remmen studentenhuisvesting
Naast het leenstelsel speelt het tekort aan betaalbare woonruimte een doorslaggevende rol. Eerdere cijfers uit de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting lieten zien dat 43% van de studenten de hoge woonlasten noemt als belangrijkste reden om thuis te blijven wonen. Nog eens 19% geeft aan simpelweg geen geschikte woonruimte te kunnen vinden.
Voor de vastgoedmarkt betekent dit dat de vraag naar studentenwoningen wel aanwezig is, maar wordt afgeremd door prijsniveau en beschikbaarheid. Dat creëert een spanningsveld: de behoefte is er, maar de betaalbaarheid staat onder druk. Voor ontwikkelaars en investeerders ligt hier een duidelijke uitdaging om concepten te realiseren die aansluiten bij het budget van studenten.
Verschillen tussen mannen, vrouwen en onderwijsniveau
Opvallend is dat mannen vaker thuis blijven wonen dan vrouwen. Meer dan de helft van de mannen die in 2020 hun vijfjarige studie afrondde, woonde nog in het ouderlijk huis. Dat is een stijging van 12 procentpunt ten opzichte van 2016. Bij vrouwen lag dit percentage lager, rond de 34%, maar ook daar is sprake van een duidelijke toename vergeleken met vier jaar eerder.
Ook het type onderwijs speelt een rol. Hbo-studenten blijven vaker thuis wonen dan studenten aan universiteiten. Hogescholen zijn geografisch breder verspreid over het land, waardoor de reisafstand voor veel studenten beperkt blijft. Bovendien beginnen hbo-studenten gemiddeld op jongere leeftijd aan hun studie, wat de stap naar zelfstandige huisvesting minder vanzelfsprekend maakt.
Latere uitstroom en nieuwe woonvraag na afstuderen
Studenten die wel uit huis gaan, doen dat sinds de invoering van het leenstelsel vaker op een later moment in hun studie. Dat betekent dat de vraag naar woonruimte zich verschuift in de tijd. De traditionele piek in kamervraag bij aanvang van een studie kan afvlakken, terwijl de druk op starterswoningen na afstuderen juist toeneemt.
Voor de woningmarkt is dit een ontwikkeling om scherp te volgen. Het patroon van later uit huis gaan heeft invloed op doorstroming, woningtypologie en locatiekeuzes. Studenten blijven langer onderdeel van het ouderlijk huishouden, maar vormen daarna alsnog een zelfstandige vraag op de markt – vaak met beperkte financiële ruimte en een studieschuld.
Bron: fd.nl