Nieuw energielabel stuurt op echte prestaties
30 april 2026
Het energielabel voor gebouwen krijgt vanaf mei 2026 een vernieuwd uiterlijk en extra indicatoren, als opmaat naar een ingrijpende stelselwijziging in 2030. Waar het label nu vooral wordt gelezen als een simpele letter, verschuift de focus naar onderliggende prestaties zoals energiegebruik en CO2-uitstoot. Deze verandering raakt direct aan hoe gebouwen worden ontworpen, gewaardeerd en verduurzaamd.
Van letter naar inhoudelijke indicatoren
Het vernieuwde label introduceert onder meer indicatoren voor finaal energiegebruik en jaarlijkse CO2-uitstoot. Hierdoor ontstaat een breder en realistischer beeld van de energieprestatie van een gebouw. In de praktijk betekent dit dat de bekende labelletter minder dominant wordt en plaatsmaakt voor een set aan kengetallen die verschillende vragen beantwoorden.
Deze verschuiving maakt het mogelijk om beter onderscheid te maken tussen energiezuinigheid en daadwerkelijke energiekosten of duurzaamheid. Een gebouw kan straks bijvoorbeeld ‘groen’ ogen, maar alsnog een relatief hoog energieverbruik hebben.
Voorbereiding op Zero Emission Building
De aanpassing in 2026 is vooral een tussenstap richting 2030, wanneer het systeem volledig wordt herzien op basis van het principe van Zero Emission Building (ZEB). Gebouwen moeten dan vrijwel geen fossiele energie meer gebruiken en hun energiebehoefte grotendeels zelf of lokaal duurzaam opwekken.
Hierdoor verschuift de aandacht van compenseren naar reduceren. Het gevolg is dat ontwerpkeuzes rond isolatie, installaties en energieopwekking integraal moeten worden benaderd in plaats van afzonderlijk geoptimaliseerd.
Einde van ‘rekenen met zonnepanelen’
De grootste inhoudelijke verandering zit in de manier waarop energieprestaties worden berekend. Waar nu wordt gestuurd op ‘primair fossiel energiegebruik’, wordt dat vanaf 2030 ‘totaal primair energiegebruik’. Dit lijkt een nuance, maar verandert de uitkomst fundamenteel.
Hierdoor wordt het lastiger om een matig gebouw te compenseren met een groot aantal zonnepanelen. De energiebehoefte van het gebouw zelf komt centraler te staan, waardoor investeringen in de gebouwschil en efficiënte installaties zwaarder gaan meewegen. Dit vertaalt zich in een verschuiving van quick wins naar structurele kwaliteit.
Gevolgen voor bestaande portefeuilles
Voor bestaande gebouwen kan deze systematiek leiden tot herwaardering. Objecten die nu een hoog label hebben dankzij grootschalige opwek, kunnen in het nieuwe systeem terugvallen. Dit effect wordt versterkt doordat ook de labelklassen zelf opnieuw worden ingedeeld en de bekende plusjes verdwijnen.
Voor de praktijk houdt dit in dat beleidskaders en investeringsstrategieën die zijn gebaseerd op labelletters herijkt moeten worden. Een label zegt straks iets anders dan vandaag, wat directe impact heeft op regelgeving en portefeuillemanagement.
Nieuwe stuurinformatie voor beleid en exploitatie
Met de introductie van aanvullende indicatoren ontstaat meer nuance in de beoordeling van gebouwen. Niet alleen de energieprestatie, maar ook factoren zoals energiekosten en duurzaamheid worden beter inzichtelijk gemaakt. Dit helpt om gerichter te sturen op verschillende doelen binnen één portefeuille.
Hierdoor kunnen keuzes beter worden afgestemd op specifieke vraagstukken, zoals betaalbaarheid voor gebruikers of CO2-reductie op portefeuilleniveau. De labelletter alleen volstaat niet langer als beslisinstrument.
Overgangsperiode vraagt om vooruitdenken
Omdat energielabels tien jaar geldig blijven, ontstaat een overgangsperiode waarin oude en nieuwe systematiek naast elkaar bestaan. Tegelijkertijd wordt met de introductie van een aanvullende ‘A0’-indicatie alvast vooruitgelopen op de ZEB-norm voor nieuwbouw.
Dit maakt het mogelijk om nu al rekening te houden met toekomstige eisen. Wie vandaag ontwikkelt of renoveert, doet er verstandig aan verder te kijken dan de huidige labelsystematiek en te anticiperen op de strengere en inhoudelijk andere beoordeling vanaf 2030.
Bron: cobouw.nl