Binnenstadsbranden tonen grenzen van brandveiligheid in oude wijken
26 januari 2026
Drie grote binnenstadsbranden binnen enkele weken
Het nieuwe jaar begon in Nederland met drie grote binnenstadsbranden in Amsterdam, Leeuwarden en Utrecht. In alle gevallen moesten tientallen bewoners worden geëvacueerd en was de schade aan omliggende panden aanzienlijk. De oorzaken van de branden zijn nog niet vastgesteld, maar de complexiteit van het blussen in historische stadscentra staat opnieuw in de schijnwerpers.
Het bestrijden van brand in oude binnensteden is wezenlijk anders dan elders. In middeleeuwse straten was alles brandbaar, en die oude structuur is nog altijd voelbaar in de manier waarop deze branden woeden en hoe de brandweer ertegen moet optreden.
Smalle straten maken zicht en toegang lastig
Binnensteden zijn over het algemeen dichtbebouwd met oude panden die intern verbouwd, doorgebroken of met elkaar verbonden zijn. Hierdoor is het vaak onduidelijk waar de brand precies woedt, wat de inzet van materieel en personeel bemoeilijkt.
Ricardo Weewer, lector brandweerkunde, benadrukt dat de brandweer simpelweg niet altijd meteen ziet hoe ver een brand zich heeft uitgebreid wanneer ze een smal straatje binnenrijdt. Vervolgens moet er water op de juiste plek worden gebracht en voldoende ‘slagkracht’ worden opgebouwd om te voorkomen dat het vuur overslaat naar naastgelegen gebouwen.
Regels versus realiteit
Er bestaan brandveiligheidsregels die bijvoorbeeld voorschrijven dat nieuwbouw een brandwerend vermogen van zestig minuten moet hebben, terwijl oudere gebouwen kunnen volstaan met twintig minuten. Maar veel binnenstadspanden zijn vaak al jarenlang verbouwd zonder recente tekeningen of duidelijke documentatie. Dat maakt het voor de brandweer lastig om zonder meer te vertrouwen op bestaande informatie.
Volgens Lieuwe de Witte, lector brandveiligheidskunde, houdt de theorie van regels en verplichtingen niet altijd stand in de praktijk. Zeker niet in een oude stad waar gebouwen intern sterk zijn aangepast en waar toegang langs de achterkant van panden vaak niet mogelijk is.
Specifieke uitdagingen in smalle straten
Brandbestrijding staat ook onder druk door fysieke omstandigheden. In smalle straatjes, zoals in Utrecht en Leeuwarden, werkt de zogeheten ‘valschaduw’ – het risico dat een instortend gebouw schade toebrengt aan brandweerlieden – extra belemmerend. Om veilig te kunnen werken, moet de brandweer afstand houden van gevels, maar die ruimte is er simpelweg niet altijd.
Moderne isolatie leidt tot meer rookontwikkeling, wat gevaarlijker is voor bewoners en hulpverleners. En enkel glas in oude huizen breekt snel, waardoor brand extra zuurstof krijgt en sneller uitbreidt.
Brandbestrijding draait om beperking, niet altijd om redding
In de aanpak probeert de brandweer zo veel mogelijk schade te beperken en overslag naar naburige panden te voorkomen. Soms betekent dit accepteren dat het pand waar de brand begon verloren gaat. Bij monumentale gebouwen is het vaak doel om gevels te redden en grotere escalatie te voorkomen, in plaats van het vuur volledig uit te krijgen.
De kern van het probleem blijft dat smalle straten en oude bouwstructuren eenvoudigweg niet te veranderen zijn. Dit maakt het waarborgen van brandveiligheid een permanent aandachtspunt.
Gedragsverandering als onderdeel van de oplossing
Wat wél kan helpen, is een verandering in gedrag. Veel mensen onderschatten de snelheid waarmee branden kunnen ontstaan en uitbreiden. Een klein elektrisch stepje dat gaat roken lijkt onschuldig, maar kan binnen zeer korte tijd een gevaarlijke situatie veroorzaken. Bewustwording van die risico’s kan bijdragen aan vroegtijdige detectie en preventie, wat op zijn beurt de brandweer betere kansen biedt in een al uitdagende omgeving.
Bron: nrc.nl