Minister Boekholt-O’Sullivan wil dat de kosten van wegen, groen en riolering voortaan meetellen bij het bepalen van de inbrengwaarde van grond. Met deze residuele grondwaardemethode moeten financiële tekorten bij gemeenten kleiner worden en woningbouwprojecten sneller rond komen.
Het probleem
Gemeenten kunnen de kosten van publieke voorzieningen niet altijd volledig verhalen. Speculatie bij doorverkoop drijft de grondprijzen bovendien op. Het gevolg zijn financiële tekorten, langere onderhandelingen, vertraging, hogere kosten en soms projecten die niet doorgaan.
De oplossing volgens het kabinet
Bij de residuele grondwaardemethode worden de publieke kosten al aan het begin meegenomen bij het bepalen van de inbrengwaarde. Daarnaast wil de minister verduidelijken welke kosten gemeenten op de ontwikkelaar kunnen verhalen. Gemeenten en ontwikkelaars weten dan eerder waar ze aan toe zijn en kunnen makkelijker afspraken maken over de financiering van gebiedsontwikkeling. Het voorstel volgt uit het coalitieakkoord en sluit aan bij de aangenomen motie-Grinwis.
Nog veel uit te werken
Het kabinet noemt de methode iets dat zorgvuldige uitwerking vraagt. Het effect is vooral gericht op toekomstige woningbouwprojecten, en een overgangsregeling moet voorkomen dat lopende projecten worden ontregeld. Hoe die regeling eruitziet en wanneer het voorstel er ligt, staat nog niet vast.
Wat betekent dit voor jou?
- Gemeenten: houd bij grondexploitaties en anterieure overeenkomsten rekening met een nieuwe manier van waarderen, en volg de uitwerking met de VNG.
- Ontwikkelaars en beleggers: grond die nu wordt gekocht met een speculatieve marge kan straks lager gewaardeerd worden. Reken dat scenario door in de businesscase.
- Taxateurs en adviseurs: de residuele methode wordt een belangrijk ijkpunt. Zorg dat je de rekenmethodiek en de kostenposten goed beheerst.