Woonlasten dalen, maar starter voelt weinig

25 juni 2026 Leestijd: 4 minuten

De relatieve woonlasten van Nederlanders zijn in 2024 verder gedaald. De doorsnee woonquote kwam uit op 20,2 procent van het inkomen, doordat woonlasten minder snel stegen dan inkomens. Voor de vastgoedpraktijk laat dit vooral zien dat betaalbaarheid gemiddeld verbetert, maar dat de verschillen tussen huurders, starters, eigenaren en regio’s groot blijven.

20,2%

van het inkomen ging in 2024 doorsnee op aan woonlasten.

35%

van het inkomen ging bij starters in private huurwoningen op aan woonlasten.

16,3%

was de doorsnee woonquote voor huiseigenaren, de laagste groep in de cijfers.

Woonquote daalt verder

Woonlasten en woonquote in NederlandDe woonquote geeft aan welk deel van het inkomen opgaat aan wonen. Daarbij gaat het niet alleen om huur of hypotheek, maar ook om andere woonlasten zoals energiekosten. In 2024 kwam de doorsnee woonquote uit op 20,2 procent, bijna een procentpunt lager dan een jaar eerder.

Over een periode van tien jaar is de woonquote gedaald van ruim een kwart van het inkomen naar ongeveer een vijfde. Dat betekent dat woonlasten gemiddeld een kleiner deel van het huishoudbudget innemen. In de praktijk ontstaat daardoor meer financiële ruimte, al geldt die verbetering niet voor iedere groep in dezelfde mate.

Inkomens stijgen sneller dan woonlasten

De daling komt vooral doordat woonlasten minder snel stegen dan inkomens. Volgens CBS-cijfers nam de woonquote bij huurders de afgelopen tien jaar iets sterker af dan bij huiseigenaren. Bij huurders ging het om een daling van 6,2 procentpunt, bij huiseigenaren om 5,8 procentpunt.

De grootste daling vond plaats in 2022. In dat jaar stegen lonen harder door compensatie voor de snelle prijsstijgingen na de inval van Rusland in Oekraïne. Ook nam het kabinet maatregelen om de energiekosten van huishoudens te verlagen. Hierdoor werd de verhouding tussen woonlasten en inkomen tijdelijk sterker gedrukt.

Een lagere gemiddelde woonquote betekent niet automatisch dat wonen voor iedereen betaalbaar is; vooral starters en recente private huurders blijven zwaar belast.

Starters blijven duur uit

De hoogste woonquote is te vinden bij huishoudens die hooguit vijf jaar een private huurwoning huren. Deze groep was in 2024 gemiddeld 31 procent van het inkomen kwijt aan woonlasten. Binnen deze categorie zijn starters het duurst uit: wie minder dan een jaar op het adres woont, besteedde 35 procent van het inkomen aan wonen.

Voor huiseigenaren ligt de woonquote juist het laagst, met doorsnee 16,3 procent. Dit verschil laat zien dat de betaalbaarheid van wonen sterk samenhangt met positie op de woningmarkt. Wie al eigenaar is, heeft gemiddeld een lagere woonlastendruk dan huishoudens die recent instromen in de private huursector.

Grote regionale verschillen

Ook regionaal lopen de woonquotes uiteen. In 2024 was de woonquote het laagst in Flevoland en Zeeland, beide met 19,2 procent. Noord-Holland en Zuid-Holland kenden juist de hoogste provinciale woonquotes, met respectievelijk 21,1 procent en 20,8 procent.

Op gemeenteniveau staan Amsterdam, Rotterdam en Den Haag hoog in de ranglijst. Amsterdam kwam uit op 24,2 procent, Rotterdam op 23,1 procent en Den Haag op 22,9 procent. De laagste woonquote werd gemeten in Edam-Volendam met 16,9 procent, gevolgd door Rozendaal met 17,0 procent.

Betaalbaarheid blijft ongelijk verdeeld

Voor vastgoedprofessionals geven de cijfers een genuanceerd beeld van betaalbaarheid. Gemiddeld daalt de druk van woonlasten, maar de hoogste lasten concentreren zich bij recente huurders, starters en stedelijke woningmarkten. Dit vertaalt zich in blijvende aandacht voor huurprijsniveau, inkomensontwikkeling en regionale vraagdruk.

De woonquote blijft daarmee een belangrijk signaal voor beleid, beleggingen en woningmarktanalyses. Een dalende gemiddelde woonquote kan ruimte suggereren, terwijl specifieke doelgroepen juist structureel minder bestedingsruimte overhouden. Voor besluitvorming rond nieuwbouw, huurbeleid en betaalbare segmenten blijft die uitsplitsing essentieel.

Bron: fd.nl