Woningbouw hapert ondanks budget

4 juni 2026 Leestijd: 4 minuten

Nederland bouwt nog altijd te weinig woningen, terwijl een groot deel van het beschikbare rijksbudget ongebruikt blijft. De Algemene Rekenkamer concludeert dat niet alleen geld, maar vooral stikstof, netcongestie, ambtelijke capaciteit, onrendabele businesscases en locatieproblemen de woningbouw vertragen.

79.900

woningen werden in 2025 gerealiseerd, ruim onder de doelstelling van 100.000.

€327 mln

van de beschikbare €731 mln werd daadwerkelijk uitgegeven door het ministerie van VRO.

17.665

flexwoningen zijn tussen 2022 en 2025 gerealiseerd, fors minder dan beoogd.

Woningbouw blijft achter

Woningbouwprojecten en flexwoningen blijven achter door structurele knelpuntenHet doel om jaarlijks 100.000 nieuwbouwwoningen te realiseren is ook in 2025 niet gehaald. Volgens de Algemene Rekenkamer kwamen er 79.900 woningen bij, terwijl het woningtekort opliep tot 396.000 woningen.

Voor de praktijk betekent dit dat de bouwopgave niet alleen groter wordt, maar ook lastiger financierbaar en planbaar. Elke vertraging werkt door in grondexploitaties, betaalbaarheid, doorstroming en de druk op bestaande huur- en koopwoningen.

Budget is niet de enige bottleneck

Van de €731 mln die beschikbaar was voor volkshuisvesting en ruimtelijke ordening werd €327 mln uitgegeven. Een deel van het geld schoof door naar latere jaren, onder meer voor grootschalige woningbouwlocaties, en gemeenten vroegen minder vaak rijkssteun aan dan verwacht.

Dat ongebruikte budget laat zien dat geld pas effect heeft als projecten uitvoerbaar zijn. Stikstofruimte, netcapaciteit, vergunningverlening en ambtelijke capaciteit bepalen in veel gevallen of een subsidie daadwerkelijk tot bouwproductie leidt.

Flexwoningen lossen de versnelling niet op

Flexwoningen moesten juist snelheid brengen in de woningbouw, vooral voor spoedzoekers. Deze fabrieksmatig geproduceerde en verplaatsbare woningen zijn in theorie sneller te realiseren dan reguliere bouw, maar de praktijk blijft achter bij de ambitie.

Tussen 2022 en 2025 werden 17.665 flexwoningen gerealiseerd, terwijl de ambitie voor 2022 tot en met 2024 op 37.500 lag. Het gevolg is dat flexwoningen wel bijdragen aan de oplossing, maar onvoldoende schaal en tempo leveren om de woningnood merkbaar te verlichten.

Het probleem is niet dat er geen geld of concepten zijn, maar dat locaties, regels, rendement en uitvoering onvoldoende op elkaar aansluiten.

Tijdelijk bouwen vraagt vaste randvoorwaarden

De Rekenkamer constateert dat flexwoningen in de praktijk minder snel worden geplaatst dan gehoopt. Van de circa 2.000 woningen die het ministerie in 2022 inkocht, werd het merendeel pas in 2025 geplaatst en hadden eind 2025 nog ongeveer 400 woningen geen locatie.

Hierdoor wordt duidelijk dat fabrieksmatige productie slechts één deel van de keten versnelt. Zonder beschikbare grond, aansluitingen, vergunningen, beheerafspraken en een sluitende exploitatie blijft ook een verplaatsbare woning wachten op een plek.

Businesscase blijft kwetsbaar

Gemeenten en ontwikkelaars lopen bij flexwoningen aan tegen schaarse locaties en lastige financiering. Door de tijdelijke exploitatieperiode zijn huurinkomsten vaak onvoldoende om kosten, verplaatsing, beheer en infrastructuur volledig te dekken.

Dit vertaalt zich in een structureel spanningsveld tussen snelheid en haalbaarheid. Een flexwoning kan bouwkundig snel zijn, maar financieel traag worden zodra de exploitatieperiode te kort is of onzeker blijft wat er na afloop met bewoners en woningen gebeurt.

Vergunningen bepalen productie van morgen

Bouwend Nederland herkent de conclusies van de Rekenkamer en wijst op onrendabele businesscases en belemmerende regelgeving. Ook het achterblijvende aantal bouwvergunningen is een belangrijk signaal, omdat vergunningen van nu de bouwproductie van de komende jaren bepalen.

Als vergunningverlening achterblijft, schuift het tekort niet alleen door maar wordt de toekomstige productie lager voorspelbaar. Daarmee verschuift de woningbouwopgave van een jaarlijks streefcijfer naar een meerjarig uitvoeringsprobleem.

Doorstroming wordt doorslaggevend

Minister Elanor Boekholt-O’Sullivan blijft voorstander van flexwoningen, maar erkent dat doorstroming een knelpunt is. Tijdelijke woningen werken alleen goed als vooraf duidelijk is waar bewoners na afloop terechtkunnen.

De volgende stap ligt daarom minder in nieuwe ambities en meer in uitvoerbare ketens: locaties aanwijzen, exploitatie rondrekenen, vergunningen versnellen en bewonersperspectief organiseren. Zonder die samenhang blijft woningbouwbeleid hangen tussen budget, ambitie en vertraging.

Bron: cobouw.nl