Scheefwonen in het kwadraat zet corporaties onder druk
14 januari 2026
Corporatiehuurders met een koopwoning
Een sociale huurwoning tegen een relatief lage maandhuur, terwijl er tegelijkertijd één of meerdere koopwoningen op naam staan. Het klinkt als een uitzondering, maar volgens nieuw onderzoek van het Centraal Planbureau is dit in 2024 realiteit voor bijna 12.000 huurders van woningcorporaties.
Deze huurders zijn niet alleen (mede-)eigenaar van een koopwoning, maar verhuren die in veel gevallen ook. Soms gaat het om één extra woning, maar in ruim duizend gevallen bezitten huurders zelfs twee of meer koopwoningen. Een kleine groep springt er helemaal uit, met bezit oplopend tot tien woningen of meer.
Bijzondere gevallen en structureel misbruik
Bij ongeveer een zesde van deze groep is sprake van een verklaarbare situatie. Denk aan een scheiding waarbij een ex-partner in de koopwoning blijft wonen, of een erfenis waarbij eigendom en bewoning tijdelijk uiteenlopen. In zulke gevallen is de woning vaak nog niet verkocht en ligt de situatie genuanceerder.
Bij de overgrote meerderheid geldt die verzachtende omstandigheid echter niet. Deze huurders hebben doorgaans een hoger inkomen en wonen in aantrekkelijke corporatiewoningen, vaak op gewilde locaties of dicht bij voorzieningen. Dat wringt met de kerntaak van woningcorporaties: betaalbare huisvesting bieden aan mensen met een lager inkomen.
Constructies buiten het zicht
Onderzoekers schetsen verschillende constructies die in de praktijk voorkomen. Zo zijn er huishoudens die na aankoop van een koopwoning de sociale huurwoning aanhouden en onderverhuren, terwijl één van de partners officieel ingeschreven blijft. Daarmee verdwijnt de woning uit het zicht van de corporatie, maar niet uit de voorraad.
Het omgekeerde komt ook voor. Huurders die in een corporatiewoning blijven wonen, maar ondertussen optreden als verhuurder van één of meerdere koopwoningen. In dat geval ontstaan huurinkomsten die moeilijk te rijmen zijn met het gebruik van een sociale huurwoning.
Handhaving stuit op grenzen
Woningcorporaties proberen al langer grip te krijgen op dit type scheefwonen. In recente rechtszaken kregen zij daarbij steun van de rechter, die het maatschappelijk belang van woningzoekenden zwaarder liet wegen dan het privébelang van de huurder. Die uitspraken vormden mede aanleiding voor het CPB-onderzoek.
Toch blijft handhaving complex. Corporaties mogen inkomensgegevens opvragen, maar hebben geen structureel inzicht in het vermogen van huurders. Vastgoedbezit valt daar ook onder. Dat maakt het lastig om huurders met een koopwoning tijdig te signaleren.
Druk op wachtlijsten blijft oplopen
Hoewel de groep huurders met eigen vastgoed slechts zo’n 0,5% van alle corporatiehuishoudens vormt, is de impact groot. Het gaat om duizenden woningen die bezet worden door mensen die vaak alternatieven hebben. Volgens het CPB zou het vrijspelen van deze woningen direct verlichting kunnen geven op de lange wachtlijsten.
Corporatiekoepel Aedes noemt de situatie ronduit onrechtvaardig. Zeker nu de woningnood hoog is en de vraag naar betaalbare huurwoningen blijft toenemen. Binnen de sector klinkt daarom steeds luider de roep om aanvullende instrumenten, zoals een periodieke vermogenstoets, om dit type scheefwonen beter aan te pakken.
Zoeken naar nieuw evenwicht
Tegelijkertijd waarschuwen corporaties voor te rigoureuze maatregelen. Inkomens en vermogens kunnen schommelen, en niet iedere huurder met vermogen is automatisch ‘fout’. De focus ligt nadrukkelijk op de groep die bewust profiteert van sociale huur terwijl zij zelf over vastgoed beschikt.
Het debat over scheefwonen krijgt daarmee een nieuwe dimensie. Niet alleen inkomen, maar ook vermogen speelt een steeds grotere rol in de vraag wie waar woont, en wie nog langer kan blijven.
Bron: nrc.nl